top of page
Homepage modder.jpg

Kolonieën

1 uur geleden
8 minuten om te lezen
Molenberg, 1926. Bron: Oud Heerlen vanuit de Lucht (Slingerland b.v., Hoogeveen)
Molenberg, 1926. Bron: Oud Heerlen vanuit de Lucht (Slingerland b.v., Hoogeveen)

Bespreking van de Atlas van de tuindorpen van Nederland (W-Books 2026)

Martijn Haan (tekst) en Bart van Hoek (foto’s)



 

In april 2026 reageerde ik op de noodkreet van vijf woningbouwcoöperaties uit Parkstad die de mijnwerkerskolonieën proberen te behouden. Ze gaven aan daar zelf te weinig middelen voor te hebben en vroegen om geldelijke steun. Hun pleidooi voor extra financiering onderbouwden ze door te wijzen op de historische waarde en de cultureel-maatschappelijke functies van deze arbeiderswoningen. In mijn reactie ondersteunde ik hun oproep, maar gaf tevens aan dat het historische en het hedendaagse belang van de kolonieën volgens mij beter moet worden onderbouwd, wil men extra gelden krijgen. Het gevoel dat mensen in de voormalige Mijnstreek immers bij deze kolonieën hebben, ontbreekt bij buitenstaanders. Natuurlijk is er naast ‘dat gevoel’ ook kennis en informatie aanwezig. Die bestaat echter vooral uit wetenswaardigheden betreffende individuele woongroepen of is afkomstig uit steeds dezelfde katholieke, en daarmee zeer gekleurde, bronnen. Een fundamenteel onderzoek naar de mijnwerkerswijken, waarmee de waarde en betekenis voor niet-betrokkenen zowel voor een individuele kolonie als haar samenhang met de andere mijnwerkerswijken en de Limburgse mijnindustrie kan worden hard gemaakt, ontbreekt.


 

Begin mei verscheen bij W-Books de Atlas van de tuindorpen in Nederland van Martijn Haan (tekst) en Bart van Hoek (fotografie). Van de vooroorlogse mijnkolonieën zijn er een aantal op basis van de tuindorpgedachte gebouwd. In het boek worden er daarvan negen behandeld (noot: volgens de makers van het boek tien, maar het beschreven Tempsplein is toch echt geen tuindorp). Die negen vormen de helft van alle door de auteurs in Zuid-Nederland beschreven tuindorpen en ruim 10% van alle in het boek beschreven Nederlandse tuindorpen.

Ondanks de forse prijs (€49,95) bestelde ik het boek in de hoop dat de makers een deel van de aanvullende kennis zouden leveren om de noodzakelijke extra financiering voor het behoud van (een deel van) de Limburgse mijnwerkerskolonieën mogelijk te maken. Toen ik het in de boekhandel ging ophalen zag ik waarom het zo duur was. Het is mooi uitgevoerd, heeft een harde kaft, is 31 bij 25 centimeter groot en telt 248 bladzijden, met oude en nieuwe foto’s, duidelijke kaartjes en een rustige vormgeving. Een prachtboek, meer geschikt voor op de salontafel dan in een boekenkast. Thuis gekomen begon ik verwachtingsvol te bladeren en vervolgens te lezen.

 

Het Voorwoord is van Chris Keulemans, schrijver en bewoner van een tuindorp in Amsterdam-Noord, de Van der Pekbuurt. Hij legt uit dat de tuindorpen in het begin van de twintigste eeuw werden gebouwd om arbeiders en de armsten in de samenleving ‘het gevoel te geven dat een beter leven mogelijk was.’ Ze werden ‘ontworpen als een binnenwereld. Tegenover de anonimiteit van het stadscentrum boden zij vertrouwdheid. Ze nodigden uit tot nabuurschap in goede tijden en solidariteit in kwade.’ Tegenwoordig zijn deze sociale huurwoningen echter objecten op de woningmarkt en daarom veelal een kostenpost. Ook zijn volgens Keulemans andere zaken uit de ‘buitenwereld’ het tuindorp binnen gedrongen, zoals polarisatie, en heeft de politiek de bewoners in de steek gelaten. Keulemans hoopt dat het boek ertoe bijdraagt de discussie over het behoud van de tuindorpen en de manier van leven daarin open te breken. Doel is de idealistische logica van honderd jaar geleden te vertalen naar een nieuw sociaal model, waarmee het behoud van de tuindorpen kan worden bereikt.

 

In de Inleiding vertelt Martijn Haan hoe hij tot het schrijven van het boek is gekomen en welke keuzes hij heeft gemaakt bij de samenstelling ervan. Vervolgens wordt de voorgeschiedenis van tuinsteden en tuindorpen (in Nederland) uitgelegd en is er een hoofdstuk gewijd aan Ebenezer Howard, de vader van de tuinstad. Voordat de verschillende Nederlandse tuindorpen per regio aan bod komen worden de kenmerken van Nederlandse tuindorpen gegeven en bijhorende begrippen betreffende bouwstijl, bouwkundige termen, dakvormen en decoraties uitgelegd. Vanaf bladzijde 28 t/m 71 worden achttien tuindorpen in Noord-Nederland behandeld. Vervolgens van bladzijde 72 t/m 117 tweeëntwintig stuks in Midden-Nederland, van pagina 118 t/m 195 vijfentwintig in West-Nederland en tot slot van bladzijde 196 t/m 233 achttien in Zuid-Nederland. Daarna volgen nog een nawoord over de toekomst van de tuindorpen, een namenregister, de literatuur en bronnen, de beeldverantwoording, een dankwoord en informatie over de makers.



Mijn interesse ging vooral uit naar het deel over de tuindorpen in de voormalige Mijnstreek, de kolonieën. Deze aanduiding wordt door Haan consequent met ‘iën’ geschreven, met de toevoeging dat de nadruk op de ‘i’ ligt. Voordat de individuele tuindorpen aan bod komen is er een algemeen deel met de titel ‘Oostelijke mijnstreek: van coalrush tot koloniën’. In de voormalige mijnstreek had de schrijver hulp van lokaal historicus Martin van der Weerden, zo laat Haan ons in zijn dankwoord weten. Hij reed hem langs de mijnkolonieën en ‘hielp de teksten beter te maken’. Helaas is dat laatste te weinig gebeurd. Niet alleen tekstueel, maar ook inhoudelijk.

 

Kaart uit De Atlas van tuindorpen in Nederland, blz. 215


Zo bevat de inleidende tekst op de mijnkolonieën nogal wat storende tekstuele en inhoudelijke fouten. Dat begint (gruwel, gruwel) al in de eerste zin waar staat dat de Limburgse steenkoolwinning ‘eind vorige eeuw’ een enorme stimulans kreeg, terwijl dit toch echt aan het eind van de 19e eeuw was. Andere inhoudelijke onjuistheden in de inleiding betreffen de koepelorganisatie van katholieke woningbouwverenigingen ‘Ons Limburg’ die niet alleen met steun van Staatsmijnen, maar ook met die van Laura en Vereeniging, de Domaniale Mijn en diverse gemeenten tot stand kwam. Een aan Henri Poels toegewezen citaat is afkomstig van Laura en Vereeniging directeur Pierre, het oprichtingsjaar van ‘Tijdig’ is fout, en de bewering dat niet-katholieke organisaties inzake de woningbouw werden tegengewerkt klopt niet. Protestants-christelijke woningbouwverenigingen kregen wel degelijk medewerking van gemeentebesturen en mijndirecties. In Heerlen gold dat zelfs ook voor de sociaaldemocratische bouwinitiatieven. Het Tempsplein is volgens de auteur een kolonie en iedereen in de regio was werkzaam in de mijnbouw en raakte daardoor in de jaren zestig en zeventig zijn baan kwijt. Dat laatste is natuurlijk onzin. Dat de Staatsmijn Hendrik in 1963 niet helemaal, maar alleen bovengronds sloot, is een te vergeven foutje. Kapitaal en zelfs grotesk is echter de bewering dat in de jaren vijftig in Heerlen niet alleen bontjassen het straatbeeld bepaalden, maar ook hoge hoeden. Deze ‘hoeden-bewering’ is een absurde en hilarische toevoeging op het door Marcia Luyten in Het geluk van Limburg geopperde en misplaatste kenmerk van de rijkdom van de Heerlense bevolking, de bontjas. Het is te hopen dat deze formulering Haan niet is ingefluisterd door de behulpzame lokale historicus.

Vervolgens worden de diverse Mijnstreek-tuindorpen beschreven. Dat zijn als eerste de vijf tuindorpen die deel uitmaken van het Beschermd Dorpsgezicht Brunssum: Treebeek-Haansberg, Schuttersveld (en Schutterspark), Rozengaard, De Egge en Langeberg. Zij worden als een geheel besproken. De andere voormalige arbeiderskolonieën zijn: Lauradorp (Landgraaf), Leenhof (Heerlen en Schaesberg), Versiliënbosch (Heerlen), Beersdal (Heerlen), Maria Christinawijk (Heerlen), Molenberg (Heerlen), Eikenderveld (Heerlen), Tempsplein en omgeving (Heerlen) en De Hopel (Kerkrade). Bij de beschrijving van de tuindorpen zijn er eveneens tal van fouten en foutjes.


Ik noemde al de opname van het Tempsplein en omgeving (Heerlen) in dit boek. De ondertitel van dit deel is: ‘Statige pleinen, villa’s en voorzieningen’. Het argument om het Tempsplein en omgeving op te nemen, is dat daar de voorzieningen voor de mijnwerkers kwamen: bibliotheek, badhuis, school, kerk en wijkgebouw. Daarmee wekken de auteurs de indruk dat de gemeente Heerlen heel goed voor zijn koempels en hun gezinnen zorgde. Zo altruïstisch was zij echter niet. Door de Eerste Wereldoorlog was er vanuit particulieren aanvankelijk weinig animo voor het in 1913 gemaakte uitbreidingsplan. Toen er na vier jaar enkel de Ambachtsschool en Mijnschool waren gebouwd, niet voor de arbeidersgezinnen, maar voor de opleiding van de benodigde arbeidskrachten, besloot de gemeente over te gaan tot het bouwen van zogenaamde utiliteitspanden, gebouwen met een maatschappelijke functie. De bibliotheek was daarvan in 1917 het eerste. Binnen drie jaar volgden het Groene Kruisgebouw en het badhuis. Beiden in de Kapelaan Berixstraat (en niet Derix!) De kerk kwam pas midden jaren dertig tot stand en was bovendien een godshuis voor de protestantse gemeenschap. De villa’s en herenhuizen zijn van na 1925. Dat de voorzieningen niet in eerste instantie voor de mijnwerkers en hun gezinnen waren, wordt duidelijk uit de ligging. Niet bij de kolonieën, maar ten zuiden van het centrum. De auteur schrijft ‘vlakbij het huidige station’. Nu is alles relatief, maar de arbeiders en hun gezinnen woonden aan de ‘andere kant’ van het station. Voor hen was het zeker twee kilometer lopen. Bovendien wasten de mijnwerkers zich op de mijn. Storend zijn verder de verkeerde jaartallen bij de Nederlands Hervormde kerk (1935 en niet 1933) en de plaatsing van het Heilig Hart Beeld (1924 in plaats van 1922).


Links: Haansberg. Rechts: linksboven, Beersdal met zijn rechte straten en een groen plein in het centrum .


Bij de beschrijving van alle kolonieën is sprake van een te grote nadruk op het katholicisme. Zo wordt voorbijgegaan aan het grote aantal protestanten en protestantse kerkgebouwen in Treebeek-Haansberg. Ook vraag ik me af hoe de architecten van deze kolonie, Anton Dinger en Willem Leliman, voor het katholieke karakter van de wijk zorgden, zoals de auteur schrijft. Eerstgenoemde was namelijk overtuigd protestants-christelijk en Leliman had geen duidelijke geloofsovertuiging. In de kolonie Beersdal stond helemaal geen kerk. De katholieke inwoners kerkten aanvankelijk in de rectoraatskerk van de paters Franciscanen aan de nabijgelegen Sittarderweg. Vanaf 1929 was de Antonius van Padua in de Vrank de dichtstbijzijnde parochiekerk. Hetzelfde gold tot 1970 voor de inwoners van Lauradorp. In kerkelijk opzicht bleven zij gedurende de hele tijd van de steenkolenmijnen onzelfstandig. Bij dit laatste tuindorp laat Haan eveneens onvermeld dat het in eerste instantie de bedoeling van de mijn Laura en Vereeniging was huizen te bouwen die de mijnwerkers later in eigendom zouden krijgen. De economische crisis zette een streep door dat voornemen. Blijkbaar speelde het idee van controle niet altijd een grote rol, althans niet bij deze mijnonderneming.


Ook bij Haans beschrijving van Heerlense wijk Eikenderveld blijkt dat het de auteur schort aan basiskennis inzake de woningbouw in de Mijnstreek. Hij weet niet dat de mijnen bijna alleen in de begintijd (tot pakweg 1920) woningen bouwden. Daarna gebeurde dat vrijwel uitsluitend door de woningbouwcoöperaties. Uiteindelijk bezaten de mijnen slechts zo’n 1000 arbeiderswoningen in de Mijnstreek, ongeveer 20% van het totale aantal. Haan typeert de wijk Eikenderveld als niet-katholiek en daarmee is dit tuindorp volgens hem dus socialistisch. Een vreemde conclusie, aangezien hij zelf schrijft dat Eikenderveld is gebouwd door de woningcoöperatie Samenwerking, een organisatie van en voor spoorwegarbeiders (en later ook voor anderen in overheidsdienst, zoals politieagenten). In dit tuindorp kwam er volgens Haan een café, ‘(…) iets wat in de katholieke koloniën ondenkbaar was.’ Hij is blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat dit in socialistische kringen ook onmogelijk was. Zij, en dan vooral de vrouwen onder hen, waren het namelijk die het meest en het felst streden tegen drankgebruik. Veel meer en feller dan de katholieken.


Molenberg, 1926. Bron: Oud Heerlen vanuit de lucht (Slingenberg b.v., Hoogeveen)


Dat niet alle tuindorpen in de Mijnstreek voldoen aan de in het begin van het boek gestelde criteria is een ander euvel bij de beschrijving van deze arbeiderswijken. Beersdal is ‘strak in het gelid’ aangelegd. ‘Oud-Molenberg kreeg een rationeel stratenpatroon met weinig uitvalswegen, zodat in geval van oproer de wijk eenvoudig kon worden afgegrendeld.’ Dat laatste is overigens maar zeer de vraag. Waarschijnlijk lag het er veel meer aan dat de woningen ver van de andere bebouwing aflagen en er gewoonweg (nog) geen andere wegen waren.

 

Het fout schrijven van namen (Mulier i.p.v. Muller; Derix i.p.v. Berix en Reichpietz i.p.v. Reichpietsch) is niet zozeer ernstig als wel vervelend, net als de eerdergenoemde foute jaartallen. Met name omdat dit soort fouten makkelijk te vermijden zijn. Hetzelfde geldt voor achter elkaar staande zinnen waarin twee verschillende dingen worden beweerd. Zo worden in de Maria Christinawijk de eerste woningen in 1943 opgeleverd en vervolgens in 1947 (het laatste klopt). Ook het door elkaar gebruiken van verleden en tegenwoordige tijd, geeft aan dat er aan redactie (van dit deel van het boek) te weinig aandacht is besteed. Dat lijkt me namelijk de enige verklaring voor het opnemen van eindzinnen als ‘Voor wie nog een vleugje Oranje-Nassau wil ervaren: de Efteling achtbaan Baron 1898 is geïnspireerd op Oranje-Nassau I.’ en (verwijzend naar een groen rond plein in Leenhof) ‘Het lijkt een prima landingsplaats voor een vliegende schotel.’ Zij hadden de eindversie niet mogen halen.

 

Kortom, De atlas van tuindorpen in Nederland is een uiterlijk goed verzorgd boek. Inzake de Limburgse/Mijnstreek tuindorpen bevat het voor een standaardwerk echter te veel inhoudelijke fouten en het getuigt van te weinig kennis en inzicht in de regionale historische context. Hopelijk is dat bij de andere drie regio’s beter.

Het blijft dus wachten op een verslag van een gedegen historisch onderzoek naar de cultuur-, economisch- en sociaalhistorische waarde en betekenis van de Nederlands-Limburgse mijnkolonieën.

 

Marcel J.M. Put

 
 
 

Opmerkingen


© Copyright

2026 by Stichting Ouweleem.nl 

  • Facebook
  • Instagram
  • LinkedIn

TRIODOS bank / BIC: TRIONL2U / IBAN: NL85 TRIO 0320 0662 07

KVK 95108351 

Proudly created with Wix.com
bottom of page