

De sollicitatie (deel 1)
Op 8 maart 1926 wordt de burgemeester van Heerlen, Marius Alphonse Marie Waszink, minister van Onderwijs in het eerste kabinet De Geer. Sinds zijn aantreden in 1913 is de gemeente gegroeid van 13.000 naar 40.000 inwoners. De Commissaris van de Koningin beschrijft de stormachtige ontwikkeling van de gemeente Heerlen en de zware taak die het gemeentebestuur en in het bijzonder de burgemeester heeft gehad. Hij is tevreden over de manier waarop alles tot nog toe is gegaan. Bij gemeenteraad mist hij echter ‘de bekwaamheid en den breeden kijk op zaken, welke in het bestuur eener gemeente als deze dringend noodig zijn (…)’. Desalniettemin heeft Waszink in zijn ogen ‘(…) weten te bereiken dat er een toestand geschapen is, welke over het algemeen (…) zelfs voortreffelijk genoemd kan worden.’ Dat geldt echter niet voor de financiële situatie van Heerlen. Daarin moet drastische verbetering komen.
Naast Marcel van Grunsven zijn er nog 20 heren die Hare Majesteit de Koningin laten weten voor de functie in Heerlen in aanmerking te willen komen. In tegenstelling tot de huidige tijd, zijn de functie-eisen in 1926 niet vooraf bekend. Zij worden bepaald door de Commissaris van de Koningin in Limburg, Eduard Otto Maria Joseph van Hövell tot Westerflier. Hij krijgt uiteindelijk alle sollicitaties op zijn bureau en beoordeelt de kandidaten als het gaat om de door hem gestelde criteria. Hij brengt advies uit aan de minister van Binnenlandse Zaken die vervolgens een beslissing neemt. Meestal volgt hij het advies van de Commissaris van de Koningin op. Die heeft immers de ‘lokale’ kennis.
De brieven bevatten doorgaans alleen de personalia van de kandidaat en een overzicht van zijn loopbaan. Van Grunsvens brief is kort en bondig (afbeelding). Hij schrijft dat hij al ruim tien jaar in ambtelijk dienst is, als secretarieambtenaar en als gemeentesecretaris in Ottersum en sinds april 1923 als burgemeester van Susteren. Ook is hij in het bezit van de akte Staatsinrichting M.O. Dat lijkt wat mager voor een baan waarbij je het aan het hoofd staat van een stad van 40.000 inwoners, die nog niet is uitgegroeid en die van groot economisch belang is door de aanwezige steenkolenmijnen.
.png)
.png)
De sollicitatiebrief van Marcel van Grunsven voor het burgemeesterschap van Heerlen.
Blijkbaar is het in de ogen van de Commissaris van de Koningin voldoende. Om te achterhalen hoe dat zit, vraagt om meer inzage in de kwaliteit van de overige 20 respondenten en kennis van de eisen door de Commissaris van de Koningin gesteld. De gewenste nieuwe burgemeester van Heerlen is in de ogen van de Commissaris van de Koningin ‘(…) eene even krachtige en bekwame persoonlijkheid, die reeds elders getoond heeft leiding te kunnen geven en den tact te bezitten om te gaan met menschen van welken rang en stand dan ook.’ Daarnaast is hij overtuigd katholiek en Limburger, ‘(…) omdat hij dan alleen met de bevolking van Heerlen zal kunnen meeleven en vertrouwen zal kunnen wekken.’
Die laatste twee argumenten klinken vreemd gezien het feit dat er in 1926 in Heerlen veel mensen wonen die afkomstig zijn van buiten de provincie en ongeveer een kwart van hen geen katholiek is. Ze zorgen er wel voor dat de sollicitatieprocedure een stuk eenvoudiger wordt. Van de eenentwintig binnengekomen brieven, kan de commissaris er al direct dertien terzijde schuiven. Zitten in deze groep van sollicitanten, die zich dus achteraf gezien de moeite van het schrijven hadden kunnen besparen, kandidaten die op papier met Van Grunsven kunnen concurreren?
Op de afbeelding hiernaast is de lijst van sollicitanten te zien zoals die bewaard is gebleven in het archief van de Commissaris van de Koningin. Marcel van Grunsven is op die lijst ‘lucky number 13’. De brieven van de overige kandidaten zijn niet bewaard gebleven. Daarom heb ik achterhaald welke achtergrond zij hebben, hoe hun loopbaan er tot aan de sollicitatie uitzag en wat zij daarna nog hebben gedaan. Om te beginnen met de dertien heren die afvielen omdat ze niet het juiste geloof of de juiste geboorteplaats hadden. De nummering komt overeen met die van het overzicht van de Commissaris van de Koningin.
Annotatie:
[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Marius_Alphonse_Marie_Waszink, geraadpleegd op 10 mei 2026.
[2] Nationaal Archief (NA), archief 2.04.87 Inventaris van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Directie Binnenlands Bestuur: Bestuurs- en Kabinetszaken, (1904 -) 1950- 1996 (- 2005), dossiernummer 4410 Grunsven, M.F.G.M. van, 1923-1961, Brief van de Commissaris van de Koningin (CdK) aan de Minister van Binnenlandse Zaken betreffende Benoeming burgemeester van Heerlen, 19 april 1926, 2.
[3] Idem.
[4] Idem, brief van Marcellus Franciscus Gerardus Maria van Grunsven aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, 13 maart 1926; De MO-opleidingen zijn in 1921 ontstaan als voorbereiding tot het staatsexamen voor de lesbevoegdheid in het voortgezet onderwijs, de MO-akte.
[5] NA, 2.04.87, 4410, brief CdK, 19 april 1926, 3.
[6] Idem.

Lijst sollicitanten naar burgemeesterspost Heerlen, 1926.
Bron: Nationaal Archief (NA), archief 2.04.87 Inventaris van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Directie Binnenlands Bestuur: Bestuurs- en Kabinetszaken, (1904 -) 1950- 1996 (- 2005), dossiernummer 4410 Grunsven, M.F.G.M. van, 1923-1961, Brief van de Commissaris van de Koningin (CdK) aan de Minister van Binnenlandse Zaken betreffende Benoeming burgemeester van Heerlen, 19 april 1926
1.
F.E. van der Staaij is in 1926 kapitein der Genie in Den Haag. In 1902 begint hij aan zijn opleiding in de Cadettenschool. Nadat hij deze met succes doorloopt, klimt hij gestaag in de rangen der krijgsmacht. In 1940 is hij nog steeds bij de genietroepen, dan in de rang van luitenant-kolonel. Andere gegevens over hem ontbreken.
Bronnen:
“Cadettenschool”, De Avondpost, 24 augustus 1902, 2.
De Nieuwe Courant, 7 juli 1905, avondblad, bijblad, 2 en 6 maart 1916, avondblad, bijblad, 2.
“Eerstaangewezen ingenieur der genie”, Nieuwe Venloosche Courant, 27 december 1933, 2e blad, 2.
Arnhemsche Courant, 17 november 1936, 2e blad, 1; Nederlandsche Staatscourant, 28 februari 1940, 2.
2.
Hans Gijsbert van Kempen (Scheveningen, 8 maart 1886 – Breda, 5 juni 1978) heeft een met Marcel van Grunsven vergelijkbare achtergrond. Hij is weliswaar de zoon van een fabrikant, maar zijn vader is als Tweede Kamerlid ook bestuurder. Van Kempen begint zijn carrière op de gemeentesecretarie van Sloten en wordt vervolgens burgemeester van Wissenkerke. In 1917 verruilt hij deze post voor die in Woerden. Deze gemeente telt in 1925 zo’n 7.500 inwoners en is daarmee twee zo groot als Susteren waar Marcel van Grunsven de eerste burger is. Van Kempen blijft zijn hele carrière in Woerden, uitgezonderd het jaar 1944, als hij vervangen wordt door een NSB-er. In 1951 gaat hij met pensioen.


4.
Josephus Anthonius Aloysius Straman (Delft, 2 juni 1890 – Den Haag, 30 december 1938). Deze apothekerszoon wil aanvankelijk priester worden. Als jongeling bedenkt hij zich en volgt de officiersopleiding. Na voltooiing hiervan verlaat hij het leger en wordt ambtenaar bij de gemeente Delft. Na vijf jaar solliciteert hij met succes naar de burgemeesterspost in Ouder-Amstel. Vanuit die functie solliciteert hij naar Heerlen. Hij blijft uiteindelijk in Ouder-Amstel tot aan zijn plotselinge dood. Naar hem zijn een straat in Ouder-Amstel/Amsterdam en een viaduct in de hoofdstad genoemd.
Bron:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Josephus_Anthonius_Aloysius_Straman, geraadpleegd op 10 mei 2026.
5.
Antonius Josephus Wilhelmus Matheus Moons (Maarheeze, 21 maart 1890 – Helmond, 12 januari 1959) heeft net als kandidaat nummer 2, Hans van Kempen, een met Van Grunsven vergelijkbare achtergrond en loopbaan als hij in 1926 ‘naar Heerlen’ solliciteert. Hij is de zoon van een burgemeester (Maarheeze) en gaat werken op de gemeentesecretarie in Eindhoven om vervolgens gemeentesecretaris in Gemert te worden. In 1918 volgt zijn benoeming tot burgemeester van Raamsdonk, van waaruit hij ‘de sprong’ naar Heerlen waagt. Uiteindelijk zal hij wel de stap naar een grotere gemeente zetten. In 1937 wordt hij eerste burger van Helmond, dan een gemeente met ongeveer 28.000 inwoners. In 1943 vervangt de bezetter hem door een N.S.B.-er, maar na de bevrijding in 1944 keert hij op zijn post terug en blijft tot aan zijn pensioen in 1955. In het Helmond Museum staat een in brons gegoten borstbeeld van Moons.
https://heemerfgoed.nl/index.php/2024/09/04/tijdlijn-inwonersaantallen-van-helmond/, geraadpleegd op 10 mei 2026.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Antonius_Josephus_Wilhelmus_Matheus_Moons, geraadpleegd op 10 mei 2026.
https://museumhelmond.nl/collectie/object/81-271, geraadpleegd op 10 mei 2026.


Installatie van burgemeester Lommen in Castricum, 1918. Afgebeeld zijn burgmeester Lommen in zijn gala-uniform, mevr. Lommen en de leden van de gemeenteraad.
6.
P. H. L. J. Lommen (Tilburg, 10 september 1885 – Castricum, 10 november 1936) is een telg uit een Tilburgse fabrikantenfamilie. Toch kiest hij in 1905 voor een loopbaan in het bestuur. Hij werkt op de gemeentesecretarie in Valburg. In februari 1914 wordt hij burgemeester van Ursem en vier jaar later verkast hij naar Castricum. Daar werkt hij 18 jaar aan de modernisering van de gemeente. Hij sterft in het harnas aan een hartkwaal, waarvan hij genezen leek.
Bronnen:
https://www.oud-castricum.nl/categorie-activiteiten/nieuws/burgemeester-lommen-over-castricum-in-1935/, geraadpleegd 10 mei 2026.
“P.H.L.J. Lommen. Burgemeester van Castricum overleden”, De Tijd, 10 november 1936, avondblad, 7.
“Burgemeester P.Lommen †. Oud-Tilburgenaar”, Nieuwe Tilburgsche Courant 11 november 1936, 2e blad, 1.
8.
C. W. A. van Uden (Boxtel?, onbekend, 1883 – Maastricht, 21 juni 1960) wordt in 1910 burgemeester van Budel. Hij vervult die functie tot 1919, deels samen met die van gemeentesecretaris. Midden 1919 wordt hij voorzitter van de Raad van Arbeid in Eindhoven. Dat blijft hij tot begin jaren vijftig. Later is Van Uden ook bestuurslid van de Rijksverzekeringsbank (1938-1950) en een erkend publicist over gezondheidsvraagstukken.
Bronnen:
“Rijksverzekeringsbank”, De Nederlander, 12 april 1938, 6.
Nieuwe Tilburgsche Courant, 10 december 1914, 2.
Het Vaderland, 31 oktober 1916, 2e Avondblad, 3.
Eindhovensch Dagblad, 4 januari 1917, 3.
“Officiële berichten uit de Staatscourant”, Haagsche Courant, 4 juni 1919, 3.
“Centraal Ziekenfonds van Bossche diocesane KAB bestaat 25 jaar”, De Volkskrant, 6 januari 1955, 5.
De Volkskrant, 24 juni 1960, 14.

9.
Mr. Dr. P. A. F. Blom (Den Haag, 10 september 1879 – Halsteren, 22 december 1955) dient tot 1925 in het Oost-Indië leger. Ten tijde van de sollicitatie is hij net een half jaar eerste burger van de kleine Gelderse gemeente Angerlo, bij Zevenaar. In 1929 wordt hij burgemeester van Bergen op Zoom. Dat blijft hij tot 1 januari 1945, met uitzondering van de periode 1941 tot aan de bevrijding, als de bezetter hem uit zijn functie heeft ontslagen.
Bronnen:
Https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_burgemeesters_van_Angerlo
“Drs. P.A.F. Blom benoemd tot burgemeester van Bergen op Zoom”, De Graafschap-bode, 23 april 1929, 2e blad, 1.
“Dr.P.A.F. Blom overleden”, Trouw, 27 december 1955, 2.
“Oud-burgemeester overleden”, ’t Nieuws van Kampen, 29 december 1955, 2.
12.
Th. C. P. M. van Kolfschoten (Arnhem, onbekend 1881 – Halfweg, 12 december 1951) is de zoon van een burgemeester. In 1910 treedt hij in de voetsporen van zijn vader als hij burgervader wordt van Gestel en Blaarthem, bij Eindhoven. In 1918 verruilt hij Noord-Brabant voor Noord-Holland en wordt hij burgemeester van Edam. In 1938 zal hij daar om gezondheidsredenen ontslag nemen.
Bronnen:
“Uit de Staatscourant”, De Courant, 16 december 1910, 1.
Nederlandsche Staatscourant, 25 november 1918, 1.
De Maasbode, 13 september 1938, ?
“Th. Kolfschoten †”, Provinciale Noordbrabantsche courant Het huisgezin, 13 december 1951, 2.
“Oudburgemeester van Edam overleden”, Trouw, 14 december 1951, 2.
Oud-burgemeester van Edam overleden”, Het Binnenhof, 13 december 1951, 7.

Bronnen:
“Binnenland. Het adres Schitthuizen. Is er recht in het leger?”, Stichtsch Blad, 12 januari 1922, 2.
Nederlandsche Staatscourant, 17 februari 1921, 1.
“De nieuwe burgemeester van Heerlen”, Het Volk. Dagblad voor de Arbeiderspartij, 21 april 1926, 2; “De nieuwe burgemeester van Heerlen”,Voorwaarts. Sociaal democratisch dagblad, 22 april 1926, 2.
“Berichten uit de Lijmers. Didam. Burgemeester van der Poll naar Heerlen?”, De Graafschap bode, 23 april 1926, 2.
De Nederlander, 16 oktober 1934, 3; https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_burgemeesters_van_Groesbeek
https://groesbeek.gemeentenieuwsonline.nl/nieuws/algemeen/76703/jonkheer-van-de-poll-hindert-zijn-opvolger-jonkheer-van-grotenhuis-6-slot- geraadpleegd op 10 mei 2026.
“Oud-burgemeester Van de Poll”, Volkskrant, 29 mei 1961, 2.
14.
Jhr. Harmen Hendrik Jules Marie van der Poll (Den Haag, 8 september 1880 – Nijmegen, 29 mei 1961) is een militair en dient bij de huzaren. In 1922 duikt zijn naam op als een mede-officier door een opzichter van het interneringskamp in Harderwijk van diefstal wordt beschuldigd. De zaak verdwijnt in de doofpot. Ondertussen is Van de Poll burgemeester in Didam geworden. Zijn sollicitatie naar de burgemeesterspost in Heerlen wordt publiek twee dagen nadat de Commissaris van de Koningin zijn verslag naar de minister heeft gestuurd. Blijkbaar hebben de arbeiders en de sociaaldemocraten oren en ogen in de muren van het Limburgse provinciehuis. In hun kranten, Het Volk en Voorwaarts , verschijnen op 21 en respectievelijk 22 april de koppen: ’De nieuwe burgemeester van Heerlen.’, met daaronder het bericht: ‘Van welingelichte zijde vernemen wij, dat dezer dagen de benoeming te verwachten is van jhr. H.H.J.M. van der Poll, burgemeester te Didam, tot burgemeester van Heerlen. De heer v.d. Poll is een familielid van den kommissaris der koningin in Limburg.’ De lokale Graafschapbode neemt dit bericht over. De bronnen van de arbeiderskranten gaan echter te veel uit van klassenbevoordeling en hebben andere argumenten van de Limburgse gouverneur over het hoofd gezien. Van der Poll blijft vervolgens tot 1934 in Didam. Zijn volgende post is Groesbeek. Daar wordt hij in 1941 door de bezetter ontslagen en gevangengenomen. Het verblijf in de kampen verzwakt de gezondheid van de ziekelijk Van der Poll nog meer. Aangezien zijn officiële termijn op 1 november 1940 was beëindigd, heeft de commissaris tijdens Van der Polls gevangenschap in november 1941 een nieuwe burgemeester benoemd, jhr. R.M.J.F.L. van Grotenhuis. Na de bevrijding vecht Van der poll die benoeming aan en maakt hij Van Grotenhuis het leven zuur. De Commissaris van de Koningin kiest voor Van Grotenhuis en Van der Poll verdwijnt van het bestuurlijk toneel. Van Grotenhuis blijft tot aan zijn pensionering in 1966 burgemeester van Groesbeek.
15.
Joseph Anton Hubert Steinweg (Rotterdam, 19 maart 1876 - Roermond, 1 januari 1973) is een Nederlands katholieke politicus. Hij is de zoon van een scheepsagent, doorloopt aanvankelijk de Handelsschool., maar kiest uiteindelijk toch voor een baan in het openbaar bestuur. Steinweg is achtereenvolgens burgemeester van Goirle (1908-1909), Heumen (1910-1920) en Ambt en Stad Delden (1920-1927). Als Steinweg naar Heerlen solliciteert is hij lid van de staatscommissie die de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de gemeenten onderzoekt. Een jaar na zijn mislukte sollicitatie in Heerlen, wordt hij burgemeester in een andere Limburgse stad, Roermond. Als hij van daar in 1929 naar Nijmegen vertrekt is Heerlens oud-burgemeester Waszink, wiens ministerschap geen succes is geweest, zijn opvolger. In Nijmegen treedt Steinweg in 1942 onder druk van de Duitse bezetter af. Na de bevrijding probeert hij in zijn ambt terug te keren. Tevergeefs, hij is dan immers al 68 jaar oud. Zowel in Delden, Nijmegen als Roermond zijn er straten naar hem genoemd.
Bronnen:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Joseph_Steinweg, geraadpleegd op 10 mei 2026.
https://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/3_Joseph_Anton_Hubert_Steinweg, geraadpleegd op 11 mei 2026.

17.
A.A. Dobbe is als hij solliciteert met verlof uit Nederlands-Indië waar hij sinds 1906 als spoorwegingenieur heeft gewerkt. Hij is duidelijk op zoek naar een nieuwe maatschappelijke functie in Nederland. Begin 1925 stuurt hij een plan naar de Tweede Kamer om Den Haag via een spoorweg over de Zeeuwse eilanden met Vlissingen te verbinden. Ook is hij politiek actief en wel in het Vaderlands Verbond, een conservatief liberale partij. Hij is kandidaat voor de Provinciale Statenverkiezingen. Later is hij dit ook voor de opvolgers van deze partij, de Vrijheidsbond, de Liberale Staatspartij en na de Tweede Wereldoorlog de Partij van de Vrede, die in 1948 in de Vereniging voor Vrijheid en Democratie zou opgaan. Het laatste wat over A.A. Dobbe te vinden is, is een advertentie waarin hij in 1958 zijn villa in Velp voor 48.000 gulden te koop aanbiedt.
Bronnen:
“Civiel departement”, Bataviaasch Nieuwsblad, 27 december 1906, 1e blad, 3.
“Adres om rechts- en eerherstel”, De Maasbode, 1 februari 1924, ochtendblad, 2e blad, 1.
“Een spoorweg over de eilanden?”, Het Vaderland, 27 januari 1925, avondblad, 5.
“De Tweede Kamer-verkiezingen”, Algemeen Handelsblad, 15 april 1925, avondblad, 1e blad, 2.
“Haagsche candidaten”, De Avondpost, 15 januari 1931, ochtendblad, 1.
“Partij van de Vrijheid”, Arnhemsche Courant, 8 april 1946, 2.
De Telegraaf, 21 augustus 1958, 11.
18.
Egbertus Jacobus Hendricus Johannes Schut is militair aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Hij blijft heel zijn leven nauw betrokken bij het leger als reservist en als bestuurslid van de Nationale Bond “Mobilisatie 1914”. In 1917 wordt hij procuratiehouder (gevolmachtigde) bij de Rotterdamse Bankvereniging samen met F.J. Frowein. Misschien is deze laatste verwant met de directeur-voorzitter van Staatsmijnen W.F.J. Frowein en krijgt Schut zo het idee om naar Heerlen te solliciteren. In 1922 scheidt hij van zijn vrouw, hetgeen zijn kansen op het burgemeesterschap van Heerlen zo goed als tenietgedaan zullen hebben. In 1928 wordt hij directeur van de Tilburgsche Bank Associatie. In de loop van de jaren vijftig gaat hij met pensioen en verhuist hij naar Lent.
Bronnen:
“Rotterdamsche Bankvereeniging”, Het Vaderland, 3 oktober 1917, avondblad A, 3.
Nederlandsche Staatscourant, 14 oktober 1922, 3.
Nieuwe Tilburgsche Courant, 4 januari 1928, 2e blad, 2.
De Tijd/Maasbode, 13 december 1960, 8.

Foto genomen ter gelegenheid van het afscheid van den heer A.A.E.C. Voeten, Hoofdambtenaar van het Gouvernementskantoor in Midden-Java, Nederlands-Indië.
Zittend v.l.n.r.: F.T. Steenmeyer, hoofd der Comptabiliteit van het Gouverneurskantoor; F.H.C. Dalderup, Hoofdambtenaar ter Provinciale Secretarie; A.M. van der Elst, resident ter beschikking van den gouverneur van Midden-Java; A.A.E.C. Voeten, A.H. News, Gouverneur van Midden-Java, J. Gerritsen, Provinciaal Secretaris van Midden-Java; S.H. van Eibergen, Hoofdambtenaar ter Provinciale Secretarie.
Staand v.l.n.r.: J.H. Boon van Ochsee, Hoofd der Gewestelijke Inspectie van de Algemeen ePolitie van Midden-Java; J.Th. Eradus, Referendaris Gouverneurskantoor; dr. Taco S. Smit, Adjunct-referendaris Gouvernementskantoor; mr. H.J. van der Veen, Referendaris Gouverneurskantoor.
19.
A. A. E. C. Voeten (Ossendrecht, onbekend 1882 – Ossendrecht, 2 juni 1940) begint zijn carrière bij het gemeentebestuur van Zevenaar waar hij in 1904 1e ambtenaar van de secretarie is. Twee jaar later is hij gemeentesecretaris in Philippine bij Terneuzen. Amper 25 jaar oud wordt hij benoemd tot ridder in de Oranje-Nassau-orde. Een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kiest hij voor de bestuursdienst in Nederlands-Indië. Daar klimt hij op tot de rang van waarnemend hoofd van de secretarie. In verband met ziekte keert hij eind 1925 terug naar Nederland. Vermoedelijk overweegt hij in verband met zijn gezondheid zijn loopbaan in Nederland voort te zetten en solliciteert hij daarom naar de functie van burgemeester in Heerlen. In 1928 keert hij terug naar de kolonie en wordt daar administrateur op het kantoor van de gouverneur, dat wil zeggen hoofdambtenaar van het binnenlands bestuur. Hij wordt ook politiek actief en wel in de Indische Katholieke Partij, waarvan hij in 1930 tot voorzitter werd gekozen. Voeten is een belangrijk en invloedrijk man. Als hij in 1933 uit de dienst vertrekt krijgt hij een groots afscheid en is zijn repatriëring nieuws voor de dagbladen in Nederlands-Indië. In Nederland vestigt hij zich aanvankelijk in Nijmegen, waar hij secretaris wordt bij het Rode kruis en de Muziekschool. In 1936 volgt zijn benoeming tot burgemeester van de gemeente waar hij is geboren, Ossendrecht. Blijkbaar heeft het leven in de tropen toch veel van hem gevraagd. Hij wordt ziek en dient begin mei zijn ontslag in. Nog geen maand later overlijdt hij.
Bronnen:
Arnhemsche Courant, 22 juli 1904, 2e blad, 1; Algemeen Handelsblad, 18 juli 1906, ochtendblad, 2.
Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad, 23 december 1907, 1. Ik heb niet kunnen achterhalen waarvoor hij deze onderscheiding kreeg.
“Indische Dienst”, Het Vaderland, 23 september 1913, 2e avondblad, 2.
“Officieele berichten”, Sumatra-bode, 29 januari 1914, 2e blad, 1.
“Alg. Secretaris”, Bataviaasch Nieuwsblad, 10 augustus 1925, 1e blad, 3.
“Passagiers”, Het Vaderland, 8 maart 1928, avondblad, 3.
“I.K.P. Semarang”, De Koerier, 18 december 1930, 2e blad, 2.
“A.A.E.C. Voeten. Afscheid vertrekkend administratuer Gouverneurskantoor”, De Locomotief, 25 maart 1933, 3e blad, 3 en 26 maart 1933, 3e blad, 2.
“Ingezonden Stukken”, Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 9 oktober 1935, 1e blad, 2 en 13 februari 1936, 1e blad, 4.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_burgemeesters_van_Ossendrecht, geraadpleegd op 10 mei 2026.
“De toestand van burgemeester Voeten verergerd”, Noordbrabants dagblad voor het huisgezin, 9 januari 1940, 1e blad, 3.
“Koninklijke Besluiten. Burgemeesters”, De Maasbode, 4 mei 1940, 2e blad, 6.
“Oud burgemeester A. Voeten †”, De Maasbode, 4 juni 1940, 2.
Conclusie
De niet-Limburgse sollicitanten zijn in pakweg drie groepen te verdelen: de militairen, bestuurders uit Nederlands-Indië en die uit Nederland. De mannen uit de eerste twee groepen maken weinig kans. Zij zijn onervaren als het gaat om het besturen van een gemeente. Voor de carrière switch die zij beogen, is de gemeente Heerlen te groot en het besturen ervan te complex. Ook als zij Limburgers waren geweest, hadden zij waarschijnlijk geen kans gemaakt. In de derde groep zitten een aantal mannen die als het om hun ervaring tot 1926 gaat, met Van Grunsven te vergelijken zijn. Dit zijn: Van Kempen (2), Moons (5), Lommen (6), Van Kolfschoten (12) en Steinweg (15). Afgaand op de ambten die zij na 1926 krijgen, zou Steinweg, zeker vanwege zijn financiële deskundigheid, en misschien ook Moons, serieuze concurrenten van Van Grunsven zijn geweest en in Heerlen waarschijnlijk geen slecht figuur geslagen hebben.
In deel 2 beschrijf ik de Limburgse kandidaten en geef aan waarom zij volgens de Commissaris van de Koningin allen minder geschikt zijn dan Marcel van Grunsven.

