Vooruit via het verleden
- ouweleem

- 29 apr
- 3 minuten om te lezen

Verleden, heden en toekomst staan als het gaat om onze leefomgeving vaak met elkaar op gespannen voet. De oude ruimte is vertrouwd en gewaardeerd, maar vaak ook gebrekkig en ongemakkelijk. Wat de toekomst ons brengt is grotendeels ongewis. Het gevolg is dat we in het heden zowel dat wat is geweest als hetgeen nog gaat komen, proberen te bedienen.

In een bidbook laten vijf woningbouwcoöperaties uit Parkstad zien hoe zij dit hebben gedaan, doen en willen doen als het gaat om de huizen van de voormalige mijnwerkerskolonieën in hun bezit en beheer. En vooral ook waarom zij het, naast de grote investeringen die gedaan moeten worden voor het behoud en de verbetering van deze woningen, noodzakelijk vinden dat er extra geld beschikbaar komt voor het behoud van dit cultureel erfgoed. De opties die zij hebben variëren van renovatie/restauratie tot sloop en nieuwbouw met behoud van de beeldkwaliteit, d.w.z. zoveel mogelijk in de oude stijl herbouwen, en combinaties van deze twee.
Doelen zijn de verbetering van de woonkwaliteit en voorkomen van eentonigheid; duurzaamheid, leefbaarheid en veiligheid en het behoud van erfgoed en identiteit. Dat laatste wil zeggen dat mensen zich in hun wijk en leefomgeving blijven herkennen en er trots op kunnen zijn. Studies wijzen uit dat het behoud van (gebouwd) erfgoed een positief effect heeft op bijna al de andere doelen. Bovendien zien de woningbouwcoöperaties het in stand houden van deze voor de regio zo typerende woningbouw als onderdeel van hun zogenaamde rentmeesterschap, het doorgeven van wat is en was aan de volgende generatie(s).
Maar aan dat streven naar behoud van dit erfgoed hangt een prijskaartje van 97 miljoen euro. Dat bedrag komt bovenop de 400 miljoen die de coöperaties al in hun 2370 voormalige mijnwerkerswoningen investeren om die klaar te maken voor de toekomst. Bovendien zijn er de afgelopen 15 jaar op het gebied van (wetgeving rond) de sociale woningbouw tal van ontwikkelingen geweest die het de coöperaties financieel moeilijk hebben gemaakt. Dat maakt dat de last om het gebouwde erfgoed te behouden te groot is om alleen door de coöperaties te worden dragen. Vandaar hun bidbook.

De coöperaties vragen m.n. andere overheden om financiële hulp. Het belang van de erfgoedwaarde van de mijnwerkerskolonieën onderstrepen ze met een historisch overzicht van de arbeiderswoningbouw in de regio Parkstad. Het is niet alleen een helder geschreven en inhoudelijk goed stuk, maar bovenal een zeer noodzakelijk verhaal. Maar er is meer nodig om het noodzakelijke geld op te halen.
Wat is het geval? Enkele mijnwerkerskolonieën mogen dan de status van rijksmonument hebben, buiten Parkstad weet vrijwel niemand van hun bestaan. In 2024 verscheen het boek Het paradijs van de arbeider. Tuindorpen en tuinsteden. In dit boek worden welgeteld zes woorden aan de mijnwerkerskolonieën gewijd: ‘In Limburg waren er verschillende mijndorpen.’ Dat is een serieus probleem als je fondsen van buiten de regio wilt krijgen.
Een oorzaak van deze onbekendheid is het beperkte aantal studies en publicaties over kolonieên. Ze worden vaak wel genoemd, maar zijn nauwelijks onderzocht. Dergelijke studies geven naast bekendheid ook argumenten voor het behoud. Vergelijkende onderzoeken onderbouwen en verhelderen de moeilijke keuzes waarvoor de coöperaties bij het behoud staan.

In mei 2026 verschijnt bij WBOOKS De Atlas van tuindorpen in Nederland. Het boek gaat over de arbeiderswoningen ‘Van Philipsdorp in Eindhoven tot ’t Lansink in Hengelo, van de mijnkoloniën in Limburg tot de tuinsteden van Amsterdam-Noord, van Agnetapark in Delft tot Dudoks Tuinstad Hilversum.’ Daarin zijn de Limburgse mijnwerkerswoningen gelukkig wel terug te vinden, al wordt ook hier, net als in het bidbook van de coöperaties, hun benaming verkeerd geschreven.
Tot slot: Pathmos in Enschede geldt als het oudste tuindorp van Nederland. Het werd gebouwd in 1914. Toen woonden er echter al mensen in De Slak in Hoensbroek, een Stuyt-kolonie uit 1913. Met de sloop daarvan is er in 2023/24 dus wel degelijk (mijn)erfgoed van nationaal belang gesloopt. Vermoedelijk onbewust en door gebrek aan vergelijkend historisch onderzoek. De Slak wordt dan wel ‘historisch’ herbouwd, maar kennis van deze nationale primeur had misschien geld opgeleverd, geld waarnaar de coöperaties nu zo naarstig naar op zoek zijn.
Marcel Put










Opmerkingen