Homepage modder.jpg

Toegewijd aan kerk, kasteel en kudde

4 feb. 1911

De 'maker' van modern Hoensbroek

Onlangs won kasteel Hoensbroek de Vriendenloterij Museumprijs 2021. Met ruim 40% van de stemmen was het de favoriet bij het publiek. Natuurlijk is deze prijs de verdienste van het team dat nu in het museum werkt. Maar dat het zo ver is kunnen komen is te danken aan degene die zich om het kasteel bekommerde toen vrijwel niemand anders dat deed. In De Limburger van 7 april 1934 werd hij omschreven als de man die Hoensbroek had groot gemaakt: pastoor Röselaers.

Op zondag 5 februari 1911 werd Jan Lucas Röselaers, geboren op 30 mei 1857 te Brunssum, geïnstalleerd als pastoor van de parochie Hoensbroek, toen nog een plattelandsgemeente met zo’n 1500 inwoners. Maar ook met de Staatsmijn Emma, die in datzelfde jaar in bedrijf kwam en die voor grote veranderingen zou gaan zorgen. Hoensbroek had daarom behoefte aan een ervaren en krachtig geestelijk leider. Röselaers was al 27 jaar priester, bezat een groot organisatorisch talent en kon nogal autoritair zijn. Zijn groot postuur dwong respect af. Dit alles stelde hij in dienst van de kerk en van de gemeenschap van Hoensbroek.

Ruim een jaar na zijn aantreden in Hoensbroek richtte hij de katholieke woningbouwvereniging ‘Hoensbroek’ op. De Woningwet van 1901 maakte het mogelijk dat particuliere organisaties voorschotten konden aanvragen om woningen te bouwen. De landelijke bevolking van Hoensbroek was verbaasd. Ze waardeerden het werk van de pastoor bij de oprichting van een Boerenleenbank in hun dorp, maar nu stelde hij voor huizen te bouwen ‘om arbeiders, die veelal van verre komen, onder dak te brengen en zoodoende een menigte ,,vreemd volk” naar het oude dorp te halen.’ In een gecombineerde vergadering van de Woningbouwvereniging ,,Hoensbroek” en de zeven man tellende gemeenteraad van Hoensbroek wist Röselaers de volksvertegenwoordigers te overtuigen bij het rijk een voorschot van 220.500 gulden aan te vragen voor de bouw van honderd arbeiderswoningen. Het bouwplan en de tekeningen van de huizen werden toegelicht door de architect Jan Stuyt. Deze Haagse bouwmeester werkte, op voorspraak van aalmoezenier in de Mijnstreek Henri Poels, voor Ons Limburg, de koepelorganisatie van de katholieke woningbouwverenigingen.

Waren de mensen van Hoensbroek in 1912 nog sceptisch en vol onbegrip over het handelen van hun pastoor, op 10 augustus 1913 was daar niets meer van te merken. Het dorp kreeg hoog bezoek. De eerste Nederlandse kardinaal sinds de Reformatie, Willem Marinus van Rossum, benoemd in 1911, kwam een gedenksteen leggen bij de arbeiderswijk in aanbouw en zijn zegen geven over dit project. ‘Heel het dorp, in het centrum der mijnstreek gelegen, was in feestdos. Tal van prachtige eerebogen waren opgericht, guirlandes van met bloemen bezaaid groen, verbonden de eerebogen; van tallooze huizen wapperden de vlaggen en in opschriften en chronica werd den kardinaal het welkom toegeroepen.’ Van Rossum arriveerde per auto aan de laan van het kasteel. ‘Het volk was dol van vreugde; bruidjes boden bouquetten aan en vertolkten de vreugde der bevolking in rijm. Pastoor Röselaers heette in welgekozen woorden den kardinaal welkom (…)’. Na de mis en het diner werd de kardinaal naar de in aanbouw zijnde woningen gebracht. Hij onthulde en zegende een gedenksteen, werd toegesproken en toegejuichd en nam uiteraard zelf het woord. De nieuwe woonwijk kreeg de naam De Eerste Stap, als teken dat er een begin was gemaakt Hoensbroek voor het katholicisme te behouden. Röselaers kon tevreden zijn. Dat betekende echter niet dat hij op zijn lauweren ging rusten.

In 1912 had hij de franciscanen naar Mariarade gehaald om de groeiende bevolking van een goede zielzorg te kunnen voorzien. Acht jaar later kwam er nog een rectoraat in Nieuw-Lotbroek. Ook stond hij aan de basis van de volksbibliotheek, een avondtekenschool en de zang- en toneelvereniging ‘Ons Genoegen’. De Onderwijswet van 1921 maakte overheidsfinanciering voor bijzonder onderwijs (d.w.z. onderwijs op basis van levensovertuiging/geloof) mogelijk. Röselaers, voorzitter van de Hoensbroekse vereniging voor katholiek onderwijs, maakte daar meteen gebruik van. Hij vroeg de gemeenteraad een van de openbare scholen aan zijn vereniging over te dragen. Vrijwel alle kinderen op die school waren immers toch katholiek. Dit was het begin van een bloeiende katholieke schoolvereniging met een tiental scholen waar degelijk katholiek onderwijs werd gegeven.
Ook via zijn geestelijk adviseurschappen in het verenigingsleven, dat door de 8-urige werkweek en de verbeterde leef- en werkomstandigheden van de arbeiders op gang kwam en door de werkgevers en de kerken werd gestimuleerd, zorgde pastoor Röselaers ervoor dat het ware geloof in Hoensbroek behouden bleef.

Röselaers zorgde echter niet alleen voor het behoud van het katholieke geloof in Hoensbroek. Vanaf zijn komst naar het ontluikende mijndorp had hij interesse getoond in het onbewoonde en vervallen kasteel. Naast zijn functie als lokale zielenherder werd het zijn doel om de vervallen burcht te restaureren. Via de door hem opgerichte Stichting Ave Rex Christe wist hij voldoende geld bij elkaar te krijgen om het kasteel in 1927 te kopen en met de restauratie te beginnen. Zonder pastoor Röselaers zou kasteel Hoensbroek waarschijnlijk hetzelfde lot hebben ondergaan als kasteel Schaesberg.

In 1939 nam de zeer populaire pastoor Röselaers afscheid van zijn parochie. In 1934 en 1936 waren zijn 50-jarig priesterjubileum en zijn 25-jarig Hoensbroeks herderschap groots gevierd. Hij trok zich terug op zijn geliefde en inmiddels enigszins bewoonbare kasteel Hoensbroek. In de oorlog verhuisde hij naar de villa Mien Heim net buiten Valkenburg. Daar vierde hij nog zijn 60-jarig priesterfeest en zijn negentigste verjaardag. Pastoor Röselaers overleed op 9 maart 1949, 91 jaar oud.

Meer informatie over pastoor Röselaers is te vinden op:
https://www.rijckheyt.nl/cultureel-erfgoed/r%C3%B6selaers-jan-lucas-pastoor-hoensbroek

https://www.heemkundehoensbroek.nl/beeld_pastoor_Roselaers.html

Bron afbeelding: kasteel Hoensbroek