Homepage modder.jpg

Ee Rundje Knipa

Bijgewerkt op: 20 feb.

Eindelik! Vier moage wèr!

Eindelijk! We mogen weer.

Wel maar twee dagen, maar alles is meegenomen in deze barre tijden. Nu alleen nog die mottenballenlucht uit mijn ‘pekske’ krijgen. Dat moet met deze Heëlesje Vasteloaves Wink geen probleem zijn.

De Limburger meldde afgelopen donderdag dat er in Heerlen ‘een aantal eerste edities van wellicht nieuwe tradities’ zullen zijn. Geweldig nieuws. Als historicus ben ik dol op nieuwe tradities. De eerste ‘vasteloaves sjtadswandeling’. Ze voert leden en sponsoren van de Winkbülle langs de echte Heerlense carnavalsmonumenten. Waar zouden ze overal naar toe gaan? Is een café een monument? Zijn er ook nog andere monumenten en zo ja, wat doen de Winkbülle daar dan? Helaas kan ik niet mee om dat uit te vinden. Als oad-prins van Sjandelen heb ik andere verplichtingen. Daarom heb ik mijn eigen Sjpassemiger Vasteloaves Monumente Wandeling samengesteld: ee Rundje Knipa. Loopt u mee? Verkleed, geschminkt, instrument bij de hand of ‘get angesj um sjandaal mit te make’? Dan gont vier same op sjtap.


Carnaval wordt steeds aangekondigd door de Blauwe Schuit. Als zij terug is van haar tour de Euregio dan is iedereen in Sjpassemig (Heerlen) er klaar voor. Wij beginnen onze Monumentale Vasteloaves Wandeling dus op het Wilhelminaplein. Aan de gevel van het pand nummer 9 zien we de tekst ‘Carpe Diem’, Pluk de Dag. De tekst kan voor carnavalisten bijna niet toepasselijker zijn. Hier was vroeger café De Blauwe Schuit van Heinz Paffen en thuisbasis van de Sjuut bemanning. Na een kort maar krachtig vloeibaar eerbetoon aan Heinz, de Iere-vuurzitter van het Gilde Blauw Sjuut, en alle andere carnavalsvierders die het feest hopelijk in hogere sferen zullen vieren en zingen ‘ut geet dig good, ut geet dig good.’ Vervolgens gaan we in zuidelijke richting. Na 100 meter zijn we bij het tweede monument. Dit zou tevens het eerste ‘rustpunt’ moeten zijn, maar het is helaas nog gesloten: de Nieuwe Nor. Een Vasteloaves Monument, omdat op deze plek ooit het Kegelpaleis stond. Daar hielden de Winkbülle in 1948 op 19 januari hun allereerste carnavalszitting. Volgend jaar hopen we wel naar binnen te kunnen en vanuit de foyer van De Nieuwe Nor te proosten met zicht op d’r Kuëb va Heële en op ons clubhuis, de Schelmentoren.

We hebben namelijk gehoord dat d’r Kuëb een verzoek heeft ingediend, of beter gezegd heeft geëist, om naar het Schelmenhofje te verhuizen (onder dreiging van emigratie naar Kerkrade). De wethouder weet nog niet hoe hij dit in de gemeenteraad moet vertellen en heeft deze ‘hete aardappel’ doorgeschoven tot na de verkiezingen (en hoopt dat hij dan op het bordje van iemand anders ligt). Wij steunen d’r Kuëb en zingen zijn Knipa-lied, ‘Ich bin wer truuk in Heële, wer in mieng ege sjtad …’Het Schelmenhofje is in verband met de bouwactiviteiten in de Nieuwe Nor afgesloten en dus lopen we even om en gaan via de trappen naar ons hoofdkwartier en zijn bewaker. D’r Heëlesje Wink is hier goed te voelen (één van de redenen dat d’r Kuëb weg wil – ‘ier loat mich heij in de kouw sjtoa’) en dus lopen we snel over het Kerkplein naar het Pancratiusplein voor de eerste vloeibare ravitaillering.


Weer buiten, verzamelen we rondom ons vasteloavessymbool: d’r Lachende Eëzel. Sinds 1992 siert dit guitige beest het meest levendige en dorstige plein van de stad. Het beeld is gemaakt door Cyriel Laudy en herinnert aan dat de oorsprong van de Sjapssemiger Vasteloavesverein (of is het nu Heerlense Carnavals Vereniging?) de Winkbülle. Die ligt namelijk bij de Heerlense Rij- en Jachtvereniging waar ook graag carnaval werd gevierd. Aangezien tijdens carnaval de rollen vaak omgedraaid worden, koos men voor de domme, koppige ezel als tegenhanger van het edele paard. Paarden kijken doorgaans heel serieus en misschien wel schichtig. Deze ezel lacht en nodigt uit. Van zo’n verhaal krijg je dorst. Helaas gaan de buitentaps pas donderdag open, dus gaan we weer naar binnen om eens ‘inne op de lamp sjudde’ of, zoals Wiel het zong: ‘V’r nienne nog ee, v’r niene nog ee, Kom sjud ‘ns de glazer vol, v’r niene òs nog ee.’‘Zoë, die hant geschmakt’. Eigenlijk naar meer, maar nu het nog enigszins gaat moeten we zorgen dat we de sleutel krijgen. Daarvoor trekken we via de Uulegats naar het Raadhuis. Bij de ingang van de gats kijken we even naar links en gedenken dat een van de bekende canavalstempels hier al jarenlang gesloten is en hoogstwaarschijnlijk ook blijft. Rust zacht oude kameraad Bijsmans. Er komen wat traantjes (‘deë hoare wink och’).

‘Vier klatsje d’r Uul ing op de vot’, joa, beij zoë bild moog dat nog, en gaan naar de hal van het Raadhuis. Daar worden we ontvangen door de burgemeester en de Stedemaagd. Vanaf 1955 tot in de jaren zestig was dit namelijk een goed gebruik, met dit verschil dat burgemeester er dan niet bij was. Van Grunsven hield niet van carnaval.

Nu we de sleutel van de stad hebben kan ons niets meer gebeuren. Vol goede moed zetten we er dan ook de pas erin. Op naar de schouwburg, of het Parkstad Limburg Theater zoals het nu heet. Hier hebben we grootste feesten gegeven en hebben veel Winkbüllkes en Winkbüllinnekes ‘karneval lieëre viere’ op het Eëzelkesbal. De directeur, Bas Schoonderwoerd, heeft de zaak extra voor ons opengehouden. We gaan dan ook wat langer door. ‘Vasteli, Vastala, Vasteloavend’.


Van dorst krijg je honger. Dat is algemeen bekend. ‘Gunt vier poefele eate? In ’t Eekenderveld hant ze lekkere’. Dat ligt nu jammer genoeg een beetje ‘te veul oeët d’r sjlaag’. We steken het Van Grunsvenplein over. Eerst denken we dat het aan het bier ligt dat we zo moeizaam lopen, maar bij nader inzien blijkt iemand alle stenen te hebben weg gehaald en banjeren we door het zand. Dan is er opeens een hek. Maar we hebben wel voor hetere vuren gestaan. Met een paar man tillen we het op en weg naar de Sarool ligt voor ons open. Halverwege, op de kruising met de Honigmannstraat staan we even stil en kijken naar het noorden. Ik wacht tot het stil is en begin dan heel zacht te zingen. ‘Kiek es doa, kiek es doa, sjteet d’r Lange Jan,’ en wijs naar een punt in de verte. Daar, waar ooit de bekendste Heerlenaar onder de Heerlenaren stond. Iedereen doet mee en nadat het lied is afgelopen grijpen we elkaars armen en gaan al sjoenkelend richting het volgende monument: Café-zaal Schiffers. ‘Kom sjoenkel es richtig, richtig, richtig mit òsz mit …’ Daar, zo blijkt uit recent historisch onderzoek, was tijdens het Heerlense Winkbülle carnaval een tijdje een Vasteloaves Vrijstaat. Bovendien werd die in 1949 geregeerd door de eerste carnavalsprinses in Sjpassemig (morgen meer in het Kalenderverhaal van Week 8). Nu worden er schoenen verkocht. Dus gaan we naar de bijna-buurman in het pand waar tot midden jaren negentig café Oud-Heerlen zat en nu Bracke, vroeger ook een vaste halteplaats op deze tocht. Het verschil is dat we er nu we zelfs iets warms kunnen eten. ‘Hat ier ooch zoervleisj? Mit friete? Joa?! Doch mèr, vuur alleneuj. Lllllekkur!’


We zouden graag blijven zitten, maar horen de lokroep van d’r Lachende Eëzel op Pancratiusplein. Die lijkt op dit tijdstip de stem van Wiel Knipa te hebben. Of is het toch Frits pelt? ‘kom heij op aa, kom heij op aa, heij brent de lamp’ zoemt het in onze oren. We beginnen aan onze barre tocht door een donkere, verstikkende Sarool. We hebben gelukkig zware wind tegen, zodat we uit volle borst zingen: Vuur mich geet op de ganse welt, nieks boave d’r Heëlesje Wink ...’ Met schorre kelen en tongen van leer bereiken we de totaal droog gelegde Markt. We wagen de oversteek. Om de moed erin te houden zing ik ‘Hoat dich vas aa mich, dan kan dich nieks gebuure, hoat dich vas aa mich went vier op heem aa gunt’. Dat laatste doen we natuurlijk nog lang niet, maar het zorgt ervoor dat we ons niet laten afleiden door het feit dat hier onze eerste geliefde ezel stond, die we in de jaren zestig onder mysterieuze omstandigheden zijn kwijt geraakt.

We bereiken de Straat Zonder Naam en worden meteen verblind door het felle licht. Het geluid van ing zaate hermenie helpt ons met oriënteren. Nu is de verlossing nabij. Even denken we dat we een fata Sjpassemigerana zien. Een ton bier met daarop de tekst ‘Vuur de Winkbülle’ en genoeg glazen voor ons hele gezelschap aan de voet van d’r Lachende Eëzel, die kwistig rondjes draait. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Dat is het gelukkig niet. We laven ons en denken ondertussen aan het grootste carnavalsmonument dat er is: geweun lekker op sjiep goan, op kroegentocht en zingen en dansen, want ‘Karneval viere, dat kans du dich lieëre …’, en neet alling van kings af aa. Maar het helpt wel als je vroeg begint.

Sommigen onder ons zijn snel weer helemaal op krachten en zingen ‘kom mit mich noa d’r Oambusch i, doa is van al te doeë’. Dat zal best wel, maar ik betwijfel of de gemeente daar ‘buitentaps’ heeft toegestaan. Dus zingt de rest ‘V’r nienne nog ee, v’r niene nog ee, Kkom sjud ‘ns de glazer vol, v’r niene òs nog ee.’ We blijven hier en proosten naar de maan en de sterren ‘Ich wool zoë geer, ich wool zoë geer, ich wool zoë geer, es astronaut op sjou.’ Aan Ee Rundje Knipa komt geen einde!


De Sjapssemiger Vasteloaves Monumente Wandeling, Ee Rundje Knipa, wat een geweldige nieuwe traditie is dit. Maar ergens komt ze me toch ook bekend voor. Dan liepen we ook van café naar café, van kroeg naar kroeg. Maar dat heette toch anders …?

Alaaf!

en

Blieëf grave!

Blijf graven!







127 weergaven2 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Positief