Homepage modder.jpg

Heerlen en De Haas

20 mrt. 1972

Aad de Haas (Rotterdam 30 december 1920 – Heerlen 21 maart 1972)

Afbeeldingen: Aad de Haas in zijn atelier, omstreeks 1970. Foto Erven Aad de Haas; 'De Spijbelaar', 1956, Bernardinuscollege te Heerlen

Misschien vind je ze wel in elke stad. Er is geen uitgebreide studie naar gedaan, maar Heerlen heeft iets met succesvolle, eigenzinnige, moeilijk/niet te plaatsen talenten. Ze worden er geboren, overlijden er, groeien erop, verhuizen ernaar en/of Heerlen is de plek waar ze hun kennis en kunde ten toon spreiden. Enkele voorbeelden zijn: ordestichter Peter Jozef Savelberg, spoorwegbouwer en mijnexploitant Henri Sarolea, hoofdalmoezenier van sociale werken Henri Poels, de (Oostenrijkse) schrijver Thomas Bernard, architect Frits Peutz, burgemeester Marcel van Grunsven, schooldirecteur pater Van Summeren, emancipator An van Dijck, schrijver Anton Dautzenberg, en de kunstenaars Melanie Bonajo en Michel Huisman. Laatstgenoemde is door zijn huwelijk verwant aan de man die vandaag precies 50 jaar geleden in het Heerlense De Weverziekenhuis overleed: beeldhouwer, graficus en kunstschilder Aad de Haas.

De geboren Rotterdammer De Haas ontvluchtte de stad aan de Maas in 1944. Door een illegale expositie van zijn door de bezetter als ‘entartet’ (ontaard, minderwaardig, gedegenereerd) beschouwde werk kwam hij in de gevangenis. Weer buiten zijn cel werd hij gedwongen aan een nazi-omscholingsprogramma mee te werken in de vliegtuigbouw. Hij trouwde met Nel Koekman, zijn mede-studente en steun en toeverlaat, en samen doken ze onder. Dat deden ze in het Zuid-Limburgse Ingber, een gehucht in de buurt van Gulpen en Wittem. Ze kwamen daar terecht met hulp van de redemptorist pater Mathot, met wie De Haas in de gevangenis bevriend raakte. Mathot was overgeplaatst naar het klooster in Wittem en regelde een onderduikadres. Ook na de oorlog toonde de pater zich een goede vriend. Hij hielp De Haas aan de opdracht om in het kerkje van Wahlwiller een statie te schilderen. De parochianen zijn tevreden over het werk van de kunstenaar. In hogere kerkelijke kringen is men echter minder enthousiast.

Ondanks zijn heimwee naar Rotterdam blijft De Haas in Limburg. Via Kasteel Neubourg en de bovenverdieping van een slagerij in Gulpen, komt hij op het Schaesbergse kasteel Strijthagen terecht. Daar lijkt De Haas, samen met Nel en hun zeven kinderen, uiteindelijk te aarden.
Kort na, een publicitair zeer geslaagde expositie in het Bonnefanten Museum te Maastricht, kreeg De Haas twee opdrachten in Heerlen. De eerste was een schildering in de grote ontvangsthal en trappenhuis van het Heerlense Bernardinuscollege. Het werd een kleurrijke schildering genaamd’ De Spijbelaar’. Enkele jaren verfraaide De Haas ook een trappenhuis in het nieuwe gymnasiumgebouw van de onderwijsinstelling aan de Akerstraat. Manuel Kneepkens, toen leerling op het gymnasium van het Bernardinuscollege, zat met mede-leerling Pé Hawinkels in het comité, dat een keuze zou maken voor het onderwerp en de kunstenaar van het te maken kunstwerk. Het werd ‘De val van Icarus’, te schilderen door Aad de Haas, wiens eerdere schildering goed beviel. Kneepkens beschreef wat daarop volgde:

“Jongens“ zeiden de leraren tot ons: “Als jullie nou eens aan Aad de Haas het goede nieuws van zijn uitverkiezing gaan brengen.“
Dus wij waren zo goed niet of de volgende vrije woensdagmiddag fietsten wij naar Strijthagen. De kunstenaar ontving ons hartelijk en schonk koffie, naar ik mij herinner, uit een met een naakte vrouw beschilderde kan. Als we al niet wisten dat we bij een èchte kunstenaar over de vloer waren, dan wisten we het nu. We hadden aan een grote verfbevlekte tafel in zijn atelier tegenover hem plaats mogen nemen. We legden het doel van ons bezoek uit. Hierop viel er een stilte. Een pijnlijk lange stilte. Eindelijk deed Aad de Haas zijn mond open. “ Jongens,“ zei hij : “Wie is hier de kunstenaar?“ Vreemde vraag… “Eh, u, meneer de Haas! U bent hier de kunstenaar!” “Precies. Ik ben hier de kunstenaar. En, jongens, een kunstenaar… een èchte kunstenaar…, lààt zich niets voorschrijven! Zo werkt dat niet in de Kunst! Kom maar over veertien dagen terug, en dan zal ik jullie vertellen wat daar volgens mij geschilderd moet worden.”
Zo gezegd, zo gedaan. Veertien dagen later waren Pè en ik dus opnieuw op audiëntie op kasteel Strijthagen. Weer zaten we aan de grote, verfbevlekte tafel en weer werd ons koffie geschonken uit de Naakte Dame –kan. “Jongens, ik heb de bouwtekeningen van dat trappenhuis eens bekeken. En ik kwam daardoor op het volgende idee. Bij een gymnasium past natuurlijk het best iets uit de klassieke mythologie, niet dan? En opeens had ik het! Icarus! De Val van Icarus! Nou, wat denken jullie daarvan? “
Ik zag Pè ogen als theeschoteltjes krijgen en dat was toen nog niet, zoals later, van de drugs, maar, uiteraard, van verbijstering. En ik begreep, dat hij op het punt stond te zeggen : “Meneer de Haas, Icarus? Maar dat idee hebben wij toch zelf hier twee weken geleden …”
Ik schopte hem keihard onder tafel en sprak – en op dat moment is in mij de politicus geboren, vast en zeker : ”Meneer de Haas, Icarus! Dat we daar zelf niet opgekomen zijn! Icarus! Dat gaan we doen!”
(bron: https://beeldgedicht.info/poezie/chris/haas/ )
Beide schilderingen zijn nog steeds te bewonderen in het schoolgebouw.

Ook kreeg De Haas opnieuw een opdracht voor een statie. Deze keer in de nieuwe kapel van het Heerlense Sint Jozefziekenhuis. In juli 1958 voltooide De Haas zijn tweede statie. De recensent van het lokale Limburgs Dagblad, drs. F. van Trigt, was lovend: ‘In de periode, welke tussen de eerste en tweede kruisweg ligt, is het talent van Aad de Haas gerijpt. (…) het is Aad de Haas op zijn best. In elk geval zijn er zoveel hoogtepunten dat de Haas met deze kruisweg ontegenzeggelijk zijn meesterproef heeft afgelegd. (…) Zijn kruisweg is in menig opzicht een gebeurtenis.’ Ook de landelijke pers besteedde aandacht aan het nieuwe werk van De Haas. Het godsdienstig-staatkundig dagblad De Tijd kopte in haar editie van 26 juli 1958: ‘In Heerlen durft men het aan Aad de Haas weer te laten schilderen’. Hun man ter plaatste, Marius van Beek, oordeelde: ‘In het begin staat men wat vreemd te kijken naar de kleurrijke vlakken op de wanden, maar na elke omgang raakt men meer geboeid door het schouwspel dat met ontwapenende eerlijkheid is neergepenseeld. Deze kruisweg is van zo een heftige zeggingskracht, dat men er tenslotte verbijsterd van wordt.’
Toen het ziekenhuis in 1970 werd gesloopt, was de aannemer gelukkig zo alert om de muurschilderingen van De Haas te laten uitzagen en op te slaan. In 1985 werden ze gerestaureerd en permanent geëxposeerd in het gemeentehuis van Landgraaf.

In de jaren negentig bevestigde de gemeente Heerlen het belang van de kunst van Aad de Haas voor de stad en de regio. In 1994 en 1995 kocht de Stadsgalerij (nu Schunck* Museum) een belangrijk deel van de nalatenschap van de kunstenaar. Zijn werk is daar vaker te zien en er verschijnen regelmatig publicaties over zijn leven en zijn werk.