Homepage modder.jpg

De eerste Heerlenaar met een Willemsorde

16 mei 1876

Generaal Majoor A.P.P.C.R.E. De Ceva

Op 4 december 2014 werd de Heerlenaar Gijs Tuinman door de koning onderscheiden met de militaire Willemsorde. Tuinman was niet de eerste Heerlenaar die deze eer had. Een kleine twee eeuwen eerder, op 29 juli 1831 werd majoor A.P.P.C.R.E. de Ceva door koning Wilem I tot drager van de Willemsorde gemaakt en tevens bevorderd tot luitenant-kolonel. De Ceva kreeg de onderscheiding voor zijn optreden tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen België, dat zich los wilde maken uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Ook van de kant van de opstandelingen, de latere Belgen, kreeg De Ceva lof voor zijn optreden.

De Ceva werd op 25 maart 1791 geboren te Sèvres, ten zuidwesten van Parijs. Hij was de zoon van een protestantse Nederlandse kolonel, wiens familie in de 17e eeuw omwille van hun geloof vanuit Piemont (Noord-Italië) naar de toenmalige Republiek der Nederlanden was gevlucht.
De Ceva begon zijn militaire carrière op 14-jarige leeftijd. Dat was in de tijd van het Koninkrijk Holland, waar Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon Bonaparte, staatshoofd was. In 1810 voegde Napoleon het koninkrijk bij het Franse Keizerrijk. De Ceva kwam zo in Franse dienst en vocht onder andere in Spanje en Portugal. Ook daar werd hij door tegenstanders in hun geschriften genoemd.
In 1815 keerde hij terug in Nederlandse dienst. Hij klom op tot de rang van majoor en trad in 1827 als adjudant in dienst prins Frederik der Nederlanden. Die functie bekleedde hij toen de Belgen in opstand kwamen en onafhankelijkheid eisten. Tijdens de oorlog met België, die pas in 1839 officieel werd beëindigd kreeg hij diverse moeilijke opdrachten en was hij vaker bij gevechtshandelingen betrokken.
Na de erkenning van de Belgische onafhankelijkheid in 1839, werd hij kolonel en diende in die rang nog twee jaar bij de generale staf van het leger. Op 18 december 1841 nam hij ontslag. Hij werd gepensioneerd en kreeg als afscheidscadeau de rang generaal-majoor. In 1850 werd hij benoemd tot adjudant van de koning in buitengewone dienst.

Naast een kundig militair was De Ceva een verdienstelijk kunstenaar en een echte kunstkenner. Hij tekende en schilderde. Dit kwam op militair terrein van pas bij het in kaart brengen van stellingen en het verkennen van de omgeving. Tijdens een 7 maanden durende gevangenschap in Spanje zorgde De Ceva’s artistieke talent voor het levensonderhoud van hem en zijn gevangen manschappen. Hij was lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam en erelid van de Académie Royale des Beaux Arts in Antwerpen.
De Ceva ontving zowel in Nederland als daarbuiten verschillende hoge ordes. Zo ontving hij de ridderorde van de Nederlandse Leeuw en het Grootkruis van de Eikenkroon (een onderscheiding die de Nederlandse koning persoonlijk als groothertog van Luxemburg verleende). In 1829 ontving hij van de Pruissische koning de Johanniter-orde en tien jaar later de Guelphen-orde van de koning van Hannover, Ernst August, een oom van de Britse koningin Victoria.

De zo gelauwerde De Ceva woonde tijdens zijn pensionering grotendeels in Houthem, bij Valkenburg. Daar had hij in 1845 een groot perceel en oosten van huize Strabeek gekocht. Hij bouwde er een groot landgoed, de Geerlingshof en noemde het ‘kasteel Strabeek’. Hij woonde hier vanaf 1848 totdat hij in 1876 op 85-jarige leeftijd overleed.
De Ceva werd aanvankelijk bijgezet in de grafkelder van de familie Smeets op het kerkhof der Hervormde gemeente in Heerlen. Die van de familie De Ceva moest nog worden gebouwd. Toen zijn vrouw in december 1878 overleed, was de grafkelder al enige tijd klaar en De Ceva erin te ruste gelegd.

Waarom werd De Ceva niet in zijn geliefde Houthem begraven? Was er geen protestantse begraafplaats? Of wilde hij bij zijn kleinzoon begraven worden? De Ceva’s enige zoon Arthur, was tussen 1858 en 1867 ontvanger van de Rijksbelastingen in Heerlen. Een jaar na zijn aantreden in Heerlen, werd zijn zoon Alexander geboren. De jongen overleed op vijfjarige leeftijd en werd op het Heerlense kerkhof begraven. Alhoewel Arthur niet meer in Heerlen woonde, hij was in 1867 naar Delft gegaan en daarna naar Brabant, is het waarschijnlijk dat het graf van zijn zoon Alexander het begin was van het familiegraf. Het werd vlak na de dood van opa, de man van Willemsorde en de koninklijke contacten, uitgebreid. Na hem werden er in ieder geval nog drie mensen bijgezet: zijn vrouw Emilia Poswick (1878), zijn ongehuwde kleindochter Berth. Pauline Marie de Ceva (gestorven in Antwerpen, 1898) en zijn enige zoon Arthur (1902). Op het graf staat echter enkel en alleen de naam van kleinzoon Alexander.

Via de site van de begraafplaats op de Akerstraat kon ik niet achterhalen of er nog meer mensen in de kelder van de De Ceva’s zijn bijgezet. De verwachting is dat dit in ieder geval zo is voor de moeder van Alexander, de vrouw van Arthur (naam onbekend). Verder zijn er nog twee andere familieleden. Charlotte de dochter van de oude De Ceva en zijn vrouw Emilia en dus de zus van Arthur. Zij trouwde met Paul Therèse van der Maesen de Sombreff, die minister van Buitenlandse Zaken was in het tweede kabinet Thorbecke 1862-1866. En Eugenie, dochter van Arthur. Zij huwde Nicolaas Dorsman en woonde in Bunde. Beide vrouwen werden waarschijnlijk in een eigen graf of dat van de families van hun echtgenoten begraven.

Of de oude De Ceva en Emilia naast Charlotte nog meer dochters hadden is mij niet bekend. Evenmin is mij bekend of Arthur en zijn vrouw naast Alexander, Berth. en Eugenie nog andere kinderen hadden. Mocht u het weten, stuur een mailtje.

Generaal-majoor A.P.P.C.R.E. de Ceva ligt anoniem begraven in het graf van zijn op 5-jarige leeftijd overleden kleinzoon Alexander. De Ceva was de eerste Heerlenaar met een Willemsorde. Hij werd dat wel pas toen hij na zijn dood met zijn Heerlense kleinzoon werd herenigd.