Homepage modder.jpg

Instelling commissie Silicosevraagstuk

29 jan. 1952

Van silicose-onrecht naar socialistische overwinning

Aanstaande zondag is het precies 70 jaar geleden dat de Mijn Industrie Raad (MIR) een commissie instelde die zich ging bezighouden met het zogenaamde silicosevraagstuk. De MIR was een overlegorgaan waarin zowel werkgevers als werknemers waren vertegenwoordigd. Beide groepen leverden 13 afgevaardigden. De mijnen vanuit hun directies en de mijnarbeiders vanuit hun bonden. De afvaardiging van de bonden was evenredig aan het aantal leden. Hierdoor was de katholieke afvaardiging veruit de grootste.

Silicose, in de volksmond stoflongen genoemd, was sinds 1939 in de Ongevallenwet opgenomen als beroepsziekte voor steenhouwers. Hele fijne ingeademde kwartsdeeltjes (kwarts is silicium) zetten zich vast in het longweefsel en verteren dit langzaam. Het gevolg is ademnood en vaak de dood door verstikking. Dit proces is progressief, dat wil zeggen dat het steeds verder gaat. Genezing is niet mogelijk.

Direct na de Tweede Wereldoorlog bleek dat niet alleen bij de mannen die de gangen boorden, maar bij alle ondergronders stoflongen voorkwamen. Het ging dan niet altijd om kwarts dat in de longen zat. Roetdeeltjes zorgden voor eenzelfde effect (pneumoconiose).

Alhoewel de mijnwerkers zelf een vertegenwoordiging in de Silicose-commissie van de MIR hadden was niet iedereen er gerust op dat de belangen van de kompels goed zouden worden behartigd. De reden daarvoor was dat de informatie die de commissie kreeg afkomstig was van het in 1949 opgerichte Instituut voor Longonderzoek bij de Nederlandse Steenkolenmijnen. Dit instituut werd betaald door de mijnondernemingen. Zij hadden er baat bij het probleem niet al te groot te laten worden. Dat zou hen en de pensioenfondsen van de mijnwerkers, het Algemeen Mijnwerkers Fonds (AFM) en het Beambten Fonds voor het Mijnbedrijf (BFM) veel geld gaan kosten en het aantal beschikbare mijnwerkers sterk doen dalen. Het Instituut stond wetenschappelijk internationaal hoog aangeschreven en diende als voorbeeld voor andere landen. Deze erkenning gold voor de meetmethodes en de verwerking van de resultaten, niet voor het gebruik van die resultaten door de mijndirecties

In hetzelfde jaar als dat van de oprichting van de silicosecommissie was namelijk al bekend dat 25% van de ondergronders een stoflongziekte had. Er waren professoren geneeskunde die tegen het oordeel van mijnartsen ingingen, die koempels met silicose terug de mijn instuurden. Kamerleden van de Partij van de Arbeid vroegen de regering of het verstandig was dat de mijnbedrijven zonder toezicht bepaalden wie wel en wie geen silicose had. Het stond allemaal in de krant, maar meestal alleen in de ‘linkse’ pers zoals het sociaal-democratische Vrij Volk en de communistische De Waarheid. Het Staatstoezicht op de Mijnen stond machteloos omdat het geen medicus in dienst had (die de gegevens van het Longinstituut mocht inzien en kon interpreteren) en te weinig mensen en apparatuur om ondergronds te gaan controleren.

Natuurlijk werden er maatregelen genomen om de ziekte te voorkomen. Mijnwerkers werden regelmatig gecontroleerd, er werd water gesproeid om de stof af te vangen en de mijnwerkers kregen bescherming (die ze overigens niet altijd gebruikten). Nederland was in dat opzicht een gidsland, een voorbeeld voor de anderen. Ondertussen werden echter alleen de ergste gevallen als ziekte erkend. Anderen minder zieke mijnwerkers moesten gewoon werken, eventueel na een korte rustperiode. Als silicosepatiënt erkend te worden was in Nederland erg moeilijk, in tegensteling tot de andere landen van de Europese Economische Gemeenschap (EEG - de voorloper van de huidige Europese Unie)

In 1964 tekenden de landen van de EEG een verdrag dat bepaalde dat silicose een beroepsziekte was waaraan een extra uitkering was gekoppeld die de alle verpleegkosten zou dekken. Dit verdrag werd in Nederland niet uitgevoerd. Door het niet wijzigen van de Ongevallenwet van 1921 kregen silicoselijders niet de helft van hun laatste dagloon, maar slechts 35%, en werden mijnwerkers met een silicose-uitkering na hun 65e door het AMF gekort.

Pas toen de mijnen waren gesloten durfden enkele oud-mijnwerkers te vertellen hoe er door de mijnen met mensen met longproblemen werd omgegaan. Naast de bewierookte verhalen over kameraadschap en goed loon, kwamen nu ook de verhalen over de ellende van ademnood, gebrek aan opvang, geestelijke nood (waarvoor ook was gewaarschuwd) en te weinig pensioen naar boven.
Een aantal van de meest zieke silicose-patiënten kon terecht in het tuberculosecentrum Hornerheide bij Horn. Ver van huis, haard en familie. Degenen die thuis bleven wonen voelden zich vaak een blok aan het been van hun geliefden. Er was veel boosheid, maar tot actie om hun recht te halen kwam het nog niet.

Dat gebeurde pas in 1990. Hans Kardurk en Ed Eilkens begonnen de strijd voor erkenning van de silicose-slachtoffers door de Nederlandse overheid en naleving van het getekende Europese verdrag. Ze kregen steun van de provincie. Op het symposium er gelegenheid van de 25-jarige herdenking van de Den Uyl-toespraak, die de mijnsluiting inluidde, vroeg de Limburgse gedeputeerde (en latere burgemeester van Heerlen) Jef Pleumeekers de volksvertegenwoordigers te werken aan een eerlijkere (betere) behandeling van de silicose-patiënten. De aanwezige premier Ruud Lubbers wilde geen verwachtingen wekken, maar gaf toe dat Nederland een ‘ereschuld’ aan de mijnwerkers had.

Er werd een stuurgroep ingesteld die het probleem in kaart bracht, de Stuurgroep Silicose Oud-Mijnwerkers (SSOM). Voorzitter was Jef Pleumeekers. Volgens SSOM ging het om zo’n 350 silicose-patiënten. In 1992 kwam de verantwoordelijke staatssecretaris Elske Ter Veld met het aanbod om elk van die patiënten 20.000 gulden te geven (ongeveer 9.000 euro). Later gold dit aanbod voor nog maar 180 oud-mijnwerkers.

Kardurk en Eilkens vonden dat weinig voor veel te weinig mensen. Volgens hun berekeningen ging het om minstens 3000 mijnwerkers. Bovendien vonden ze dat de weduwen van overleden silicoselijders ook recht op de uitkering hadden. Samen met de Heerlense afdeling van de Socialistische Partij, geleid door Jan de Wit, richtten zij het Actiecomité Ereschuld Mijnwerkers op. Met een handtekeningenactie probeerde het comité de staatssecretaris op andere gedachten te brengen. SSOM en het Actiecomité kwamen tegenover elkaar te staan. De situatie werd erger toen het Actiecomité protesteerde tegen de in hun ogen te zware keuringen voor mijnwerkers die voor een uitkering in aanmerking wilden komen.

Eind 1994 werd begonnen met het uitkeren van de gelden. Uiteindelijk werden er zo’n 736 uitkeringen betaald met een totaalbedrag van 40 tot 50 miljoen gulden. Dat is gemiddeld ongeveer 60.000 gulden (27.000 euro). Het AMF en BFM, de pensioenfondsen van de mijnwerkers, legden overigens een verzoek van de provincie om mee te betalen naast zich neer. Zij gaven aan dat wettelijke bepalingen dit in de weg stonden. Dit tot grote onvrede van de oud-mijnwerkers, die vonden dat de fondsen hen hun eigen geld onthield. Enkele Limburgse gemeenten leverden wel een bijdrage.

De SP-inzet voor de oud-kompels en hun weduwen leverde de partij in Heerlen en omstreken veel sympathie op en maakte van Jan de Wit een lokale beroemdheid. De steun voor de partij groeide, met name in Heerlen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 leidde die groei ook tot resultaat. Van 10% van de stemmen in 1990 ging de SP naar 31% in 2006. Daarmee waren ze veruit de grootste partij in Heerlen en was de macht van de katholieken (het CDA sinds 1981) en de PvdA gebroken. Die situatie is in 2022 min of meer onveranderd. Een deel van die groei vond overigens plaats tijdens het burgermeesterschap van Jef Pleumeekers, leider van hun opponent in de strijd om de inlossing van de ereschuld aan de oud-mijnwerkers.